Een nacht in een hoekje

Een vermoeid wezen dat de slaap niet kan vinden, dwaalt door de straat. Dat wezen is verbonden met mij. Het is alles wie ik ben en wat ik nog meeneem. Een te zware rugzak, waarvan ik sommige zaken nog moet losgespen en onnodig meedraag. En dit wezen danst en botst met het duister van de nacht, als een schaduw kronkelend om mij heen. Het is een nacht die spuwt in m’n gezicht, wanneer de wind m’n gelaat versteent en m’n bloed bevriest.

Woelend in een periode van onrust spring ik in het dal van alledaagsheid, de nachten van bruine kroegen in een overvolle stad. Schimmen volgen en fluisteren me gif in het oor. Gif zal hij drinken, denk ik en ik dwing mezelf naar het Noorderlicht, een bar die openblijft tot de zon opduikt. Druipend van nattigheid bereik ik m’n bestemming en verschalk me in een hoekske achter een drieëndertiger.

Na twee gifbekers komt er een vrouw pal voor me staan. Zij is gehuld in een lange grijze jas en heeft haar handen overtrokken met berenvellen wanten. Enkel de roze toppen van haar vingers zijn zichtbaar. Ze zijn kleverig en ze heft haar hand op. De vingertoppen zoeken zich een weg naar mijn reukorgaan.

’’t is lekker, ‘ zegt ze en ze duwt haar toppen in mijn mond. Een zoete smaak sijpelt binnen. Het versteende gelaat forceert een glimlach en de lippen mompelen ‘lekker‘. Een soort roes stijgt naar mijn hoofd. What the fuck was dit? Ze wrijft nog even met haar billen langsheen m’n been en verdwijnt dan vrolijk huppelend in die duistere zware jas. Ik was nog niet bekomen of er kwam al een ander schepsel naast me staan. Alsof een eenzame dichter met een glas bier vraagt om lastig gevallen te worden of gewoon zo’n enorme meelij opwekt, zeiknat, waardoor vreemden hem willen paaien? Goed, maar niet nu dacht ik, niet zo.

Een jongedame met bleek gelaat en sigaret in te smalle lederen broek en ogen die naar boven staren, vraagt me:

‘Ken jij die mensen hier?‘
‘Nee,’ antwoord ik overtuigd. Ze neemt een slok uit m’n glas.
‘En jij?‘ vraag ik.

Ze verdwijnt. Ik voel me stilletjes sterven. En toch, leef ik meer hier dan in het licht van de dag. Mijn zelfbeklag wordt plots onderbroken door een andere aandachtszoeker. Half verzopen kruipt ze op me en zegt me dat ze zich wil amuseren. Ze grabbelt met haar hand richting mijn degen en wil deze omklemmen. En zie daar, ook haar vriend wil tot mij komen en meespelen. Zo’n sul in overal en leren jasje. Dit wordt me te intiem. Ik duw hen weg. Hij begint tegen me te schreeuwen, zij tegen hem, hij tegen haar en allen naar elkaar. Na enkele financiële hulpmiddelen was het gesust, de ruzie omgekocht met gerstenat en een kommetje nootjes.

Een nieuw hoekje ga ik zoeken, ver hier vandaan. Ik schuifel verder, om niet uit te glijden over de met smurrie bedekte vloer. Aan de deur, buiten op een bakje, wordt mijn blik gevangen door een wonder van een vrouw, niet zo een die zich verstopt in een Marvel kostuum, zij leek me echt. Het is gestopt met regenen, maar niet bij haar. Ik, arm hart vertederd, krimp ineen. Mijn ogen die beginnen te bloeden en mijn verstand – tja, laten we daarover zwijgen. Dus, ik zet me naast haar: ‘Kan ik je helpen?‘ Wat moest ik zeggen? Zij reageert niet. Dan maar iets anders proberen.

‘Wil je iets drinken?‘ Niets, terwijl mijn voeten baden in het tere vocht dat haar ogen verlaat. Ook mijn fischerman’s friend snoepje lost niets op. Daar, alsof een Engel verschijnt. Ze zet zich naast haar. Een wonder. Beiden beginnen zachtjes te praten, angst hun stem te verliezen, zacht en teder. Ik vang nog net enkele woordjes op, woorden komende uit een telenovela.

‘Het spijt me, kan je me vergeven?‘ Haar gehuil verdwijnt. Ze knikt zachtjes en legt haar hoofd tegen haar schouder. De engel neemt haar vast, de lust verschijnt. Vlak naast me likken ze hun wonden. Te veel. Ik schiet recht, ik ben hier teveel. Geen fijn gevoel.

Nu dat hoekje ook zijn beurt heeft gehad zoek ik me angstvallig en ontdaan, verkracht en bezopen terug de toog der afvalligen om een laatste beker gif te ledigen. Een man naast me, leuterend aan de toog, vertelt me over de vrouwen in zijn leven. Hij pocht over de vele ‘soorten en kleuren’. Ik vraag hem wat voor werk hij doet. ‘Ik werk in een mortuarium.’ Hij lacht en begint te huilen.

Snel naar buiten waar de ochtendzon mijn wezen begroet en schaduwen werpt van kale pijnbomen die als vlijmscherpe messen in de aarde steken. Na een onbepaalde tijd bereik ik mijn hoekske in mijn kamer. Om de slaap te kunnen vinden wend ik me eerst nog tot een oude playboy, lingeriespecial. En de slaap vond mij, snel, te laat, te snel.

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑