Het moment. De metro, huilende kroost, metrostart met turbo boost. Vallend, kruipend, op weg naar de bestemming. Eerste halte. Een massa volk drukt zich door de nauw geworden opening.
Hiertussen weer zo’n vrouwelijk schepsel. Niet te mager, niet te zwaar, geen babyface, geen schminkmasker, puur natuur, maar vooral – en vergeef me deze lichtjes gefrustreerde voyeuristische opmerking – het derde knoopsgat van haar bloesje staat open en laat mijn betrokken ochtend opklaren. Zonder Wonderbra zie ik, geheel zonder enige ondersteuning. Haar zachte golvingen verdwijnen in de diepte en de metro wordt roodgloeiend. Voor die ene keer ben ik dankbaar dat we zo dicht op elkaar zijn gepropt. Het kwijl vloeit van de éne kant naar de andere, ik wil, neen, ik, ach, het is zo hemels, kon ik maar heel even…
Ze kijkt naar me, ze merkt mijn niets ontziende mojo op, mijn licht ongecontroleerde schokkende heupen, hoewel ik zo braafjes mogelijk apathisch en impotent wil lijken, maar ze merkt het en draait zich om, zodat een wat oudere vent de kans krijgt om voor mijn “objet du désir” te staan. Hetzelfde herhaalt zich, ook deze man kan zich moeilijk beheersen. Als een rituele paringsdans staan we er te hijgen. Zij wringt zich wat verder weg, we kunnen haar nog net zien. Het valt op, wij mannen zijn zwak. Of toch, we beheersen onze hormonen nog net, maar bij de minste opstoot wordt het erger en verdwijnt het evenwicht. Al zeker voor zij die zich alleen voelen. En dat zijn er velen. Het mannelijk ras zoals het was, met uitsterven bedreigd. Terecht. Misschien.
Tot na de volgende halte een andere man zich tussen haar en ons zet. Hij heeft er duidelijk geen last meer van. Een door de zonnebank aangeslagen goudbruin hoofd. Een kin verdwenen in vetcelletjes bijeengepropt door een dagelijkse portie stress, waardoor het lijkt alsof zijn hoofd ieder moment kan exploderen. Dat staart mij aan. Alsof hij door me heen kijkt en ik in de toekomst kijk. Hij heeft alles ervaren. Ik ben er niet. Levenloos.
Hij strijkt met zijn merkwaardige smalle vingers, buiten de eeltige ringvinger, door zijn dunne haren en net als bij een hond zweven ook zijn haren erna over de grond.
De metro stopt. “Mind the gap”, galmt.
Ik stap uit, neem een flinke teug van de wat frissere lucht in de gang en wandel verder met enkel het beeld van de bloedmooie inkijk in mijn hoofd.
Primitief voelt de dag, lichter. Als ik er niet bij nadenk.
Plaats een reactie