Met de trein naar huis

          
          Hitte uit de talloze gaten
          botst en springt met de koude,
          gillende kinderstemmen,
          
          een elektronisch geluid zwelt
          als tranen vanuit de hel,
          ze spelen op, vanuit
          
          het rusteloze dier,
          eentonig geruis,
          doet denken verstillen,

          en leidt de weg naar huis.

Ik verlaat de wachtzaal, terwijl een vrouw vlak voor mij de deur laat toevallen. Sleurend met pak en zak wacht ik op het perron. Een elektronische stem vertelt dat de trein is verlaat en hoe het komen zal dat ik ook de volgend aansluiting zal missen. Ik zal laat aankomen bij mijn ouders thuis. Zoals altijd op vrijdagavond.

Kinderen spelen, lopen rond en kruipen onder papa’s benen, duwen elkaar van het perron, geen angst om te worden overreden. Die angst heb ik blijkbaar alleen in hun plaats. Ik richt mijn ogen op een oude pot met groen mos en een cactus middenin, trots rechtop als het eenzame geërecteerde ding dat zich laat bevredigen door de wild stoeiende wind.

         Een grote dame kan mijn vreemde gedrag,
         maar niet verklaren,
         wanneer ik met eindeloze blik,
         naar die vieze oude pot zit te staren.

Het ijzeren wrak stopt en trekt me binnen.

Weerom kinderen, onschuldig roepend op papa en pepé en ik denk, ja, ik wil later veel kinderen. Ik zal deze vergrijsde wereld bevolken met kinderen, jong bloed om de verzuring tegen te gaan. Terwijl ik uit het raam staar zie ik plots dat ik geen ogen meer heb, alleen 2 zwarte gaten, leeg en zielloos… Ik krijg het warm en koud, zweet houdt me gevangen, mijn hart bonst mateloos, ik tracht te blijven ademen, enkel maar ademen, probeer te denken aan mijn kamertje, waar ik zal praten met flikkerende beelden die het lege gevoel volume moeten geven.

Ik kijk naar mezelf, om stilaan te vervreemden, niet meer te weten wat en waarom ik denk en ben.

Plaats een reactie

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑