“In order to write about life first you must live it.” – Ernest Hemingway
-
Flowers for my parents

Trapped in a small living room
the rose wants to bloom, it grows,
opens its shells, shows its thornsand asks very quietly, “touch me,
there on the silk soft spots, not at
the bottom where it will poke.”
While the growing stops
and the living groom becomes
the thought of a man craving more,where he’s hiding some porn
hidden inside the keyhole
watches her meander and settle
the light long left behind
like dirty water in a glass jar
where it sucks and pulls until it falls,
the rose is huge, in his mind
the petal shrinks, behind,
she shows him the waytoo late, the room full,
the rose wilts
the key turnsback, locked.

-
Theaterliefde
Ik ontmoette haar tijdens de theatercursus. De eerste les moesten we met koppeltjes van twee improviseren, ik schold haar meteen uit voor ‘trut’ en ‘hoer’, waarbij de rest van de cursisten luid applaudisseerden. Het was fictie.
Het even uitschreeuwen voelde geweldig. De vonken spatten uit mijn ogen, ik zat helemaal in mijn rol. Ze was onder de indruk. De volgende les zag ik haar weer, vlak voor de repetitiezaal. Ik wist haar naam niet meer. Dat gebeurt wel meer. Ze lokte me meteen met haar ogen en vroeg mijn lippen wat ik studeerde. Ik begon, geheel onder hypnose: ‘Ik haat boxershorts, ‘ en trok wat aan mijn broek. Ze keek naar mijn jeans ‘Ik hou van boxershorts, lekker sexy, ‘ waarbij ik verlegen stotterde: ‘Ik hou van boxershorts, om er mee eh te slapen, overdag liever niet, want dat … irriteert mijn eh.‘Haar vriendin kwam juist aan en een prachtig staaltje van communicatie werd de mond gesnoerd. Ik ging dan maar verder om al de teksten te lezen, want daar was ik toch zo goed in. Teksten lezen, ja dat moesten we vaak doen, dan zaten we rond de tafel en kozen wat we interessant vonden. Die dag zat zij naast me, ik las voor uit Heiner Müller:
‘O, Edele maagd, lieftallig kind, verrukkelijke nicht, uw onschuld doet me van geslacht veranderen.‘
Zij legde haar hand op mijn been.
‘Het noodlot tussen mijn benen doet me zo’n verandering wensen.‘*Zij, mijn net ontdekte theaterliefde, wreef over mijn jeans als ware het zacht fluweel. Wat klein was werd groots. Ik las de tekst nog intenser voor. Tegelijk wist ik niet waar met mijn gedachten te blijven, laat staan met de rest dat zich fysiek opdrong. Ik begon te haperen. Haar hand verdween, weg van de plaats des onheils. Ik verloor mijn ogen tussen de lettertjes. Dyslectisch verdween alles in lettertjes die van de ene plek naar de andere sprongen en maakten het lezen onmogelijk. Stilte.
Zij keek haar vriendin aan met een blik alsof ze net mijn maagdenvlies had gestolen. Ik zag rood. De rest keek me verbaast en een beetje meelijwekkend aan, iemand verloste me en las verder.Mijn hoofd sloeg op hol, probeerde alles netjes te ordenen, maar dit was iets wat ik nu niet kon. Was dit een hint of één of ander luguber spel waarvan ik de geheimen nog niet kende. Ik voelde maar even die hand, een aanraking en ik werd al beroofd van mijn verstand. 7
Na de teksten gingen we repeteren. Als één grote blije groep die in de teksten hun ziel ontberen en ik, die er zich angstvallig achter verschool. Enkele zwoele blikken bereikten me nog. Op het einde van de avond beefde ik zo hard dat ik moeite had met het openen van mijn fietsslot.
De week daarna verdween ze al uit mijn leven, ze had het te druk met haar studies liet ze ons weten. Zo kwam het dat ik een stukje theaterliefde verloor.
Ik kende haar niet, ik durfde ook niet vragen wie zij was en waar zij woonde. Ik besloot om vanaf nu iedere aanraking ten volle uit te buiten, erop in te gaan, niet los te laten en te ontvangen zodat zich de hemelpoorten voor mij niet meer zouden sluiten.
* (uit ‘Kwartet’ van Heiner Müller.)
-
Schrijverswereld

Focussen lukt me niet. Ik ben al in extase als ik nog maar het zacht gebroken reliëf van het blad papier voor me aanraak. De structuren van het geschrevene, ze niet zie maar voel. Met mijn vingertoppen of met mijn donzige droge lippen eroverheen wrijf en ze daarna luidop lees, zachtjes blazend, in en uit ademend. Of ze nu mooie zinnen vormen of niet. Het kan me niet schelen.
Ik raak de woorden aan en val in een eindeloze slaap, één enkele aanraking met het woord en mijn geest duwt mijn lijf naar een plaats waar het siddert en beeft, waar het geniet, waar het leven mag en explodeert.
Woorden lossen op in zinnen, zinnen in paragrafen die verdwijnen in verhalen. In mijn geest vloeien ze door tot in iedere zenuw en sturen mijn lichaam naar een andere dimensie. Wakker in een bijzondere slaap. Het voelen wanneer je durft raken. Schrijven is een ontwaken in een nieuwe wereld.

-
Een nacht in een hoekje
Een vermoeid wezen dat de slaap niet kan vinden, dwaalt door de straat. Dat wezen is verbonden met mij. Het is alles wie ik ben en wat ik nog meeneem. Een te zware rugzak, waarvan ik sommige zaken nog moet losgespen en onnodig meedraag. En dit wezen danst en botst met het duister van de nacht, als een schaduw kronkelend om mij heen. Het is een nacht die spuwt in m’n gezicht, wanneer de wind m’n gelaat versteent en m’n bloed bevriest.
Woelend in een periode van onrust spring ik in het dal van alledaagsheid, de nachten van bruine kroegen in een overvolle stad. Schimmen volgen en fluisteren me gif in het oor. Gif zal hij drinken, denk ik en ik dwing mezelf naar het Noorderlicht, een bar die openblijft tot de zon opduikt. Druipend van nattigheid bereik ik m’n bestemming en verschalk me in een hoekske achter een drieëndertiger.
Na twee gifbekers komt er een vrouw pal voor me staan. Zij is gehuld in een lange grijze jas en heeft haar handen overtrokken met berenvellen wanten. Enkel de roze toppen van haar vingers zijn zichtbaar. Ze zijn kleverig en ze heft haar hand op. De vingertoppen zoeken zich een weg naar mijn reukorgaan.
’’t is lekker, ‘ zegt ze en ze duwt haar toppen in mijn mond. Een zoete smaak sijpelt binnen. Het versteende gelaat forceert een glimlach en de lippen mompelen ‘lekker‘. Een soort roes stijgt naar mijn hoofd. What the fuck was dit? Ze wrijft nog even met haar billen langsheen m’n been en verdwijnt dan vrolijk huppelend in die duistere zware jas. Ik was nog niet bekomen of er kwam al een ander schepsel naast me staan. Alsof een eenzame dichter met een glas bier vraagt om lastig gevallen te worden of gewoon zo’n enorme meelij opwekt, zeiknat, waardoor vreemden hem willen paaien? Goed, maar niet nu dacht ik, niet zo.
Een jongedame met bleek gelaat en sigaret in te smalle lederen broek en ogen die naar boven staren, vraagt me:
‘Ken jij die mensen hier?‘
‘Nee,’ antwoord ik overtuigd. Ze neemt een slok uit m’n glas.
‘En jij?‘ vraag ik.Ze verdwijnt. Ik voel me stilletjes sterven. En toch, leef ik meer hier dan in het licht van de dag. Mijn zelfbeklag wordt plots onderbroken door een andere aandachtszoeker. Half verzopen kruipt ze op me en zegt me dat ze zich wil amuseren. Ze grabbelt met haar hand richting mijn degen en wil deze omklemmen. En zie daar, ook haar vriend wil tot mij komen en meespelen. Zo’n sul in overal en leren jasje. Dit wordt me te intiem. Ik duw hen weg. Hij begint tegen me te schreeuwen, zij tegen hem, hij tegen haar en allen naar elkaar. Na enkele financiële hulpmiddelen was het gesust, de ruzie omgekocht met gerstenat en een kommetje nootjes.
Een nieuw hoekje ga ik zoeken, ver hier vandaan. Ik schuifel verder, om niet uit te glijden over de met smurrie bedekte vloer. Aan de deur, buiten op een bakje, wordt mijn blik gevangen door een wonder van een vrouw, niet zo een die zich verstopt in een Marvel kostuum, zij leek me echt. Het is gestopt met regenen, maar niet bij haar. Ik, arm hart vertederd, krimp ineen. Mijn ogen die beginnen te bloeden en mijn verstand – tja, laten we daarover zwijgen. Dus, ik zet me naast haar: ‘Kan ik je helpen?‘ Wat moest ik zeggen? Zij reageert niet. Dan maar iets anders proberen.
‘Wil je iets drinken?‘ Niets, terwijl mijn voeten baden in het tere vocht dat haar ogen verlaat. Ook mijn fischerman’s friend snoepje lost niets op. Daar, alsof een Engel verschijnt. Ze zet zich naast haar. Een wonder. Beiden beginnen zachtjes te praten, angst hun stem te verliezen, zacht en teder. Ik vang nog net enkele woordjes op, woorden komende uit een telenovela.
‘Het spijt me, kan je me vergeven?‘ Haar gehuil verdwijnt. Ze knikt zachtjes en legt haar hoofd tegen haar schouder. De engel neemt haar vast, de lust verschijnt. Vlak naast me likken ze hun wonden. Te veel. Ik schiet recht, ik ben hier teveel. Geen fijn gevoel.
Nu dat hoekje ook zijn beurt heeft gehad zoek ik me angstvallig en ontdaan, verkracht en bezopen terug de toog der afvalligen om een laatste beker gif te ledigen. Een man naast me, leuterend aan de toog, vertelt me over de vrouwen in zijn leven. Hij pocht over de vele ‘soorten en kleuren’. Ik vraag hem wat voor werk hij doet. ‘Ik werk in een mortuarium.’ Hij lacht en begint te huilen.
Snel naar buiten waar de ochtendzon mijn wezen begroet en schaduwen werpt van kale pijnbomen die als vlijmscherpe messen in de aarde steken. Na een onbepaalde tijd bereik ik mijn hoekske in mijn kamer. Om de slaap te kunnen vinden wend ik me eerst nog tot een oude playboy, lingeriespecial. En de slaap vond mij, snel, te laat, te snel.
-
Trainmusing

I muse through the window frame,
torturing myself by thinking about
what I
don’t know,
that I
don’t know,where to go,
that I don’t know why I exist.
I muse on a way forwards,and despair sits next to me.

