“In order to write about life first you must live it.” – Ernest Hemingway
-
Metromojo

Het moment. De metro, huilende kroost, metrostart met turbo boost. Vallend, kruipend, op weg naar de bestemming. Eerste halte. Een massa volk drukt zich door de nauw geworden opening.
Hiertussen weer zo’n vrouwelijk schepsel. Niet te mager, niet te zwaar, geen babyface, geen schminkmasker, puur natuur, maar vooral – en vergeef me deze lichtjes gefrustreerde voyeuristische opmerking – het derde knoopsgat van haar bloesje staat open en laat mijn betrokken ochtend opklaren. Zonder Wonderbra zie ik, geheel zonder enige ondersteuning. Haar zachte golvingen verdwijnen in de diepte en de metro wordt roodgloeiend. Voor die ene keer ben ik dankbaar dat we zo dicht op elkaar zijn gepropt. Het kwijl vloeit van de éne kant naar de andere, ik wil, neen, ik, ach, het is zo hemels, kon ik maar heel even…
Ze kijkt naar me, ze merkt mijn niets ontziende mojo op, mijn licht ongecontroleerde schokkende heupen, hoewel ik zo braafjes mogelijk apathisch en impotent wil lijken, maar ze merkt het en draait zich om, zodat een wat oudere vent de kans krijgt om voor mijn “objet du désir” te staan. Hetzelfde herhaalt zich, ook deze man kan zich moeilijk beheersen. Als een rituele paringsdans staan we er te hijgen. Zij wringt zich wat verder weg, we kunnen haar nog net zien. Het valt op, wij mannen zijn zwak. Of toch, we beheersen onze hormonen nog net, maar bij de minste opstoot wordt het erger en verdwijnt het evenwicht. Al zeker voor zij die zich alleen voelen. En dat zijn er velen. Het mannelijk ras zoals het was, met uitsterven bedreigd. Terecht. Misschien.
Tot na de volgende halte een andere man zich tussen haar en ons zet. Hij heeft er duidelijk geen last meer van. Een door de zonnebank aangeslagen goudbruin hoofd. Een kin verdwenen in vetcelletjes bijeengepropt door een dagelijkse portie stress, waardoor het lijkt alsof zijn hoofd ieder moment kan exploderen. Dat staart mij aan. Alsof hij door me heen kijkt en ik in de toekomst kijk. Hij heeft alles ervaren. Ik ben er niet. Levenloos.
Hij strijkt met zijn merkwaardige smalle vingers, buiten de eeltige ringvinger, door zijn dunne haren en net als bij een hond zweven ook zijn haren erna over de grond.
De metro stopt. “Mind the gap”, galmt.
Ik stap uit, neem een flinke teug van de wat frissere lucht in de gang en wandel verder met enkel het beeld van de bloedmooie inkijk in mijn hoofd.
Primitief voelt de dag, lichter. Als ik er niet bij nadenk.
-
Het bordvegerincident

Een groot probleem in het informaticalokaal is de afwezigheid van goed werkende computers en degelijke bordvegers. Jawel, een groot probleem. Onze lieftallige docent, Mr. S. Colbert, is dan ook zo vriendelijk de ingewanden van de computers op bord te tekenen, aan de hand van slechte schetsen de procedures uit te leggen en het telkens met dezelfde vuile natte spons af te vegen. Door die spons is het bord erg nat, hij schrijft onmiddellijk erover om geen tijd te verliezen en daardoor wordt het krijt op zijn beurt nat. Onzichtbaar. Hem vragen te wachten tot het droog is, gaat niet, hij veegt het liever nog voor onze neus terug af.
Nu is is het genoeg geweest, ik besluit moedig naar het secretariaat te gaan. Tijdens de pauze storm ik er, bezeten van opgekropte woede, binnen:
‘Wilt U me a.u.b. een bordveger bezorgen, of knal me anders maar overhoop, ik moet namelijk steeds bij mijn buurman kijken, die heeft van die X-ray ogen, en de rest hun zicht is al lang kapot van steeds de lichtinval te zoeken om zo de restanten van het witte krijt te kunnen ontcijferen, maar tegen dat dit gelukt is, is het krijt weer weggespoeld door een ruw vegende hand‘
Ik neem nu mijn bril en houdt ze vlak voor de neus van de man achter zijn desk.
‘Mijn brillenglazen zijn na vijf lessen al gezakt van -2 naar -4!‘
Na dit kort en krachtig betoog raapt de oubollige man zijn oogbollen op, zet zich moeizaam recht en doet het slot open van een zware metalen kast. Daar ligt nog één bordveger. Schoorvoetend nadert hij, neemt mijn hand stevig vast en duwt de veger erin. Hij verheft zijn schorre stem.
‘Breng hem straks terug want ze pikken hem anders … ’t is de enige die we nog hebben.’
Trots wandel ik het lokaal binnen en leg het op de lessenaar. Hij bekijkt even het vreemde ding voor hem en zonder op te kijken hoor ik een korte ‘dank u‘.
Even later staat hij daar in ’t stof, een grijze mist zweeft rond hem. De veger trekt op geen klote. Hij draait zich om en kijkt met een vernietigende blik aan.
‘Let maar goed op, er zijn hier mensen die hard hun best zullen moeten doen op het mondeling examen.’
Fuck, waar vind ik een contract killer?

Photo Pixabay -
De plafondstarende puber
Symbiose.
Ik voel me leeg in een absurde wereld die me niet bevredigen kan. Dan verplaats ik me naar andere dimensies. Dat lukt al wanneer ik me concentreer op de aanraking tussen mijn lichaam en de materie rond me en is het alsof ik een deel ervan word en het met me versmelt. Een symbiose tussen het ding voor me en mij. Als papier voel ik me zacht, als metaal voel ik me hard, als een stuk zeep voel ik me wak.
Maar ik wil de passie voelen, de passie aanraken zo het mag. Zonder mezelf blind te staren. Telkens ik een schone deerne zie, moet ik moeite doen om niet te versnellen. Ik wil alles uiten dan, zeggen wat ik denk en voel. Een totale overgave. Zodat zij mij ziet. En me toch met rust laat.
Als ik dan iemand vind, zal ik haar binnen leiden in mijn dimensies. Ik zal haar zachtjes aanraken, elke cel die haar huid bekleed zal ik opwarmen en van iedere aanraking intens genieten, terwijl zij haar haren in mijn nek legt en haar lippen in mijn oren, zodat ik de muziek van haar adem hoor tot ik moe word van geluk en sterven mag.
Zo zal het gaan, denk ik dan. Terwijl ik me naar buiten haast.Aanraken
‘Dag jongedame, euh juffrouw, hoi hoe is ’t mevrouw, nee, goeiendag edele dame, uhm Fuck’
Ik wandel en mijmer over wat ik zal zeggen als ik haar zie.
De mist cirkelt rond me en stijgt snel op wanneer ik haar warme kamer bereik. Ze opent, vriendelijke woorden verwelkomen me. Ik zet me en zeg niets. Ze vraagt me wat. Ik blijf zwijgen. Het is eventjes stil. Plots beginnen mijn lippen te trillen en de gedachten volgen hun vormen.‘Mag ik je aanraken?‘
De verbaasde blik van haar verdwijnt gelukkig snel en smelt tot een oase van sereniteit en stil genot.
‘Ja‘
Ik raak haar huid aan. Het is alsof ik haar hele wezen zie en voel. Het voelt koud aan met een warm dekentje eromheen.
‘Mag ik je hart voelen?’
Ik raak het aan en knijp erin. Ik voel het kloppen.
‘Is dat nu het kloppen van een hart? Hebben wij dat allemaal?’ vraag ik haar argwanend, want ik had al lang geen hart meer voelen kloppen. ‘Een laatste wens, laat me stilletjes sterven in jouw armen?‘
Ze glimlacht lief en neemt me in haar armen, terwijl ze met haar warme adem mijn bleke gelaat leven inblaast en ze het bloed kust dat uit mijn ogen gutst. Eindelijk.
Een beklemmende gedachte overvalt me. Misschien is zij de dood.
Iemand loopt tegen me aan. Ik haast me uit de fruitafdeling van de winkel. Het wordt me teveel. Neen, zo niet, nu nog niet.
-
Fast Food Song

I’m, I’m, stuck
in a fast food world
in a fast food war
with fast food woman
I’m a fast food man
with easy romanticsI’m, I’m a fast food junkie
who writes fast food stories
little meaningless poems
of my mind whizzing around
like little flies on spoiled food
I am, I am a fast food romanticI am, I am looking forward
because I can’t go back to what was
I go fast in fast food romance – with myself
as she counts down from five to one
in a fast food plastic world, in a frozen image
never seen before, I lose, I lose my fast food
thoughts, to quickly I linger
working on my self, my ass
for a brand-new world
so that I can be happy in hell
a happy royal in hell
in this fast food hell(awake but not woke
I wander around)
-
Waar is Amor?
Ik studeer aan de filmacademie. Scenario, want ik hou van verhalen, maar schrijf ze liever zelf. Mijn vrienden zijn beter met beelden achter de camera, ik met beelden op papier. Ik zit in mijn honderdste jaar, zo voelt het althans. Het is alsof de tijd hier geen vat heeft en ik voor eeuwig opgesloten zit in een eindeloos traject aan schrijflessen. Het is dringend tijd voor mijn eigen verhaal.
Ik zit hier samen met een stelletje gefrustreerde beeldenmakers bij elkaar en ondertussen moet je zelf je plan trekken. En je maakt en doet wat je kan, met de middelen die er niet zijn. Die moet je maar zoeken op straat, je beste leerschool als schrijver. Dat wel. Ik hap naar adem en hunker naar de liefde, want ’s nachts op mij kamer voel ik me afwezig, alsof niemand me zou opmerken moest ik dood neervallen.Het regent en de straat huilt. Het is Brussel en ik besluit naar buiten te gaan, rondzwerven. Ik hou ervan, ook al wordt me gewillig drugs aangeboden die ik even gewillig weiger. Het blijft een grootstad die echt is, geen maskers, vuil, wat lomp in aanbouw en verbouwing, maar wel met een meesterlijke geschiedenis.
Ik dwaal rond en hoop ze te vinden, mijn muze, mijn inspiratie. De liefde, de lach en hunkering. Voorlopig enkel een zware onderdrukte hunkering, als een Amor die vastgebonden in een kooi toekijkt naar wat er niet is of misschien nooit was.
-
Your Crow

When your head is a mush
of wet cement about to become concretewith steel pin shot between spines
floating above a falling lump of kryptoniteyour eyes become too slow to close them,
again you feel lost in a broken time.You crow your way into darkness
10 000 miles above Zen crashing at 800 mphyou have to, you want to reach out, what cannot be found
what cannot be stilled.you suck up all the power, that grotesque great courage to go on
cause you crow, crow by crow.For Max Porter

Afbeelding van blackrabbitkdj via Pixabay -
Fijne lessen
Welke opleiding je ook kiest in eender welke academie, elk jaar zit er toch weer zo’n compleet nutteloze cursus bij. Deze keer gegeven door een fossiel, gehuld in vuilgroen ‘colbert’, te kleine ‘plastron’ en matbruine te hoog zittende ‘pantalon’. Nu, ik verheugde me oorspronkelijk wel op deze cursus met als indrukwekkende titel “Informatica met inleiding op nieuwe communicatietechnologieën”, maar het bleek anders te zijn.
Hij wist niet wat ons te geven, stootte toevallig op een technisch prehistorische informaticacursus en schotelt ons nu de hele blablabla voor, zogezegd de basis over het IC van de chip, de besturingsbussen en ‘faisable links‘ die je kan plaatsen. Wetenswaardigheden die ik tijdens het verslagen van een oorlog of het schrijven van een scenario over de onafhankelijkheid van Ierland, helemaal kan vergeten. Moet een schrijver weten hoe de zenuwbanen in zijn handen hem de weg naar zijn pen begeleiden? Het rottigste is dat we het ook moeten blokken voor een examen. Dat je ervoor kan buizen dus. Niet met mij. Desnoods blok ik dat ding klakkeloos vanbuiten. Ook al is mijn motivatie hiervoor bijzonder laag.
Vandaag was het een opmerkelijk korte les. De zon brandde door het glazen dak en ik had mijn oude, met gaten ventilerende jeans aangetrokken. Ik ging gescheurd en moeizaam de ‘control unit’ binnen, klaar voor een uurtje strijdt met mezelf, een karaktertest in braaf gehoorzamen aan het eentonige commando van de beul vooraan. Ik kwam nog maar net binnen of de bijl viel al voor mijn voeten.
‘Gij daar, met uw gat in uw broek, wat denkt ge hier te doen?’
‘PJ, meneer, de naam is PJ, meneer, dat weet u toch,’ ik vervolgde grappend ‘en beter een gat in mijn broek dan één in de begroting.’Ik glimlachte. Hij niet.
Ik dacht om dan maar wat argumenten boven te halen ‘In de zomer draagt men zelfs een korte broek, meneer (ik moet wel vriendelijk blijven) en daar is zo’n klein scheurtje toch niets tegen?‘
Zijn hoofd begon een lichte zwelling te vertonen, plots zetten zijn stembanden uit:
’Dit is een hoogstaande academie en…‘ waarbij ik hem onderbrak ‘En u wilt er een martelkamer van maken zeker?‘
Woede, briesende geluiden, ik wilde nog snel mijn vel redden:
‘Sorry, we zijn toch volwassen mensen, laten we hier geen ruzie om maken.’Maar het was te laat, een bordenwisser vloog mijn richting uit: ‘Eruit!‘
Het onderwijs heeft me al veel geleerd, onder andere hoe het niet moet.
